Voorstudies en plannen?

Vooruitlopend op de beslissing die de minister van Infrastructuur en Milieu zal gaan nemen met betrekking tot het goederenvervoer per spoor door Oost-Nederland ("medio 2012"), werden diverse onderzoeken uitgevoerd. Welke zijn dat precies, en wie voerde ze uit? En: wanneer moesten ze klaar zijn?

(Inmiddels zijn de resultaten van de onderzoeken gepubliceerd. Lees daarover hier meer.)

Voor deze studies gaf de minister opdracht om daarmee uitvoering te geven aan een aantal Tweede-Kamermoties van november 2010. De uitkomsten van de studies zullen gebruikt worden om de opdracht voor de milieu-effect-rapportage eventueel te aan te passen. Het zou immers kunnen dat er toch niet zoveel goederentreinen nodig zijn als de plannenmakers tot nu toe verondersteld hebben.

 

BathmenHuizenOverwegHet traject voor deze m.e.r. is overigens inmiddels al in 2011 gestart met het uitbrengen van een concept van de startnotitie voor een m.e.r. (“Ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau”). Aan de hand van deze notitie kunnen betrokkenen zien wat (dus welke plannen) er in de m.e.r. onderzocht worden, en hoe (dus wat er onderzocht wordt en op welke manier). Op dat laatste, dus over de manier waarop de milieu-effecten van de plannen worden onderzocht (!), kon gereageerd worden.

De reactietermijn voor het ontwerp van deze notitie sloot op 15 maart 2012. Daarna wordt de notitie definitief vastgesteld door de minister. In deze definitieve versie worden de reacties op het concept weergegeven en wordt daarop commentaar gegeven. Daarmee start vervolgens de uitvoering van het onderzoek naar de milieu-effecten, wat moet leiden tot een milieu-effect-rapport in het voorjaar van 2013.

 

In dit uiteindelijke milieu-effect-rapport staan beschreven: de onderzoeksresultaten, de effecten van de diverse plannen op milieu en omgeving, en de “maatregelen om deze effecten te beperken”. Hier kan dan weer door betrokkenen op gereageerd worden in een inspraaktermijn.

Volgens de planning neemt de minister vervolgens in het najaar van 2013 een beslissing over het traject waarlangs het goederenvervoer vanaf de Betuweroute naar Oldenzaal zal worden geleid. Bij dat besluit zal dan – naast de andere overwegingen voor dit project, waaronder uiteraard de kosten – de uitkomst van het m.e.r.-onderzoek een rol moeten spelen.

 

De voor-studies

Wonderlijk genoeg wordt er nu pas een aantal voorstudies uitgevoerd, waarvan men redelijkerwijs had mogen verwachten dat die afgerond zouden zijn vóór er een ontwerp voor de m.e.r.-startnotitie – met daarin een beschrijving van de plannen – gepubliceerd werd, zodat de informatie uit die voorstudies aan de plannen ten grondslag zou kunnen liggen. Zodat die informatie ook beschikbaar was aan de burgers op het moment dat zij kunnen inspreken op de m.e.r.-startnotitie.

Doordat de opdracht voor deze studies pas door de minister gegeven werd na stevige druk vanuit de Tweede Kamer, zijn de resultaten daarvan ‘te laat’ bekend voor de al in gang gezette m.e.r.-procedure. Het bizarre gevolg is dus dat de informatie uit de onderzoeken pas minimaal een maand ná sluiting van de m.e.r.-inspraakprocedure beschikbaar komt.

 

De volgende voorstudies worden op dit moment verricht:

 

1. “Nog beter gebruik van de Betuweroute”

Doel:

Het gebruik van de Betuweroute zodanig te maximaliseren dat zoveel mogelijk doorgaande internationale goederentreinen van/naar Duitsland, die via de grensovergang Oldenzaal zouden willen rijden, de route via de grensovergang Emmerich nemen.

Dat gebeurt op twee manieren:

 

  1A. “Onderzoek”

 

Door wie:

ProRail

 

Klaar wanneer:

Februari 2012

 

  1B. “Overleg met Duitsland”

Door wie:

“door I&M, ProRail en regionale overheden voorbereid”. In feite door het ministerie uiteraard. Inmiddels heeft minister Schultz van Haegen overleg gevoerd met haar Duitse evenknie, Bundesverkehrsminister Ramsauer, waarbij die laatste aangaf dat er nu (eindelijk) € 1 miljard beschikbaar is in Duitsland voor de verbetering van de Duitse aansluiting op de Betuweroute.

 

Klaar wanneer:

“Gereed / conclusies medio 2012”

 

Bijzonderheden:

"Het overleg vindt plaats in voorjaar 2012"

 

2. “Mogelijkheden goederenvervoer via de binnenvaart”

Doel: Antwoord op de vraag “Kan er in het oost-west-vervoer meer goederenvervoer per schip, zodat op oost-west-spoorlijnen (met name de Betuweroute) capaciteit vrijkomt voor de verdere toekomst?

 

Subvraag 1: “Kan een deel van het verwachte spoorvervoer ook per binnenvaart of short-sea?

Subvraag 2: “Wat is nodig om die verschuiving te bewerkstelligen?

 

Door wie:

TNO

Website: www.tno.nl

 

Klaar wanneer:

April 2012

 

Bijzonderheden:

 Er worden twee rapporten opgesteld, over elk van de subvragen een.

TNO schreef eerder een rapport voor V&W over de ‘modal shift’ in het goederenvervoer: www.tno.nl/content.cfm?context=thema&content=prop_publicatie&laag1=894&laag2=913&laag3=102&item_id=339

 

 

3. “Verwachtingen voor het goederenvervoer op de lange termijn (na 2020)”

Doel: Antwoord op de vraag “Is te verwachten dat in de periode 2020-2040 de groei van het goederenvervoer zodanig is dat nieuwe spoorlijnen nodig zijn?

Hiemee wordt gedoeld op een Noordtak van de Betuweroute en op de Robel-lijn (Rotterdam-België).

Dit onderzoek wordt aangeduid als het LT-onderzoek (LT = lange termijn).

 

Door wie:

TNO/NEA

Website TNO: www.tno.nl

Website NEA: nea.panteia.nl/Over-NEA.aspx

 

Klaar wanneer:

Voorjaar 2012

 

Bijzonderheden:

De groeimogelijkheden van het regionaal (en grensoverschrijdend) personenvervoer moeten worden meegenomen.

Het onderzoek kent een “landelijke begeleidingsgroep”.

 

4. “Actualisering van plan uit 1998 voor een noordoostelijke aftakking van de Betuweroute naar Oldenzaal/grens (NOV)”

Doel:

“Verkrijgen informatie en beeld”

 

Door wie:

Movares (ingenieursbureau)

Website: movares.nl/over-movares

 

Klaar wanneer:

April 2012

 

Bijzonderheden:

Het oorspronkelijke NOV-rapport is “Trajectnota/MER Noordoostelijke verbinding” (ProRail/RWS, december 1998). De toen voorgenomen NOV zou, indien nu alsnog uitgevoerd, € 3 tot 4 miljard kosten. Maar het is niet de bedoeling om nu alsnog tot aanleg te besluiten.

“Omvang en diepgang actualisatie zijn samen met regio bepaald”, en deze studie wordt uitgevoerd “onder begeleiding IenM en regio”.

 

5. Beschrijving varianten passage Zutphen – Hengelo

Doel:

Een rapport met “een globale technische en geografische beschrijving van de vier varianten, met daarbij een globale kostenraming en een globale beschrijving van de milieueffecten”.

Door wie:

ProRail

 

Klaar wanneer:

April 2012

 

Bijzonderheden:

Volgens I&M is deze voorstudie nodig om “medio 2012 een beeld te hebben van de [vier] varianten”, maar het is “nog geen volledige m.e.r.-info, die is er pas voorjaar 2013 (MER)”.

Er worden vier varianten in kaart gebracht:

– lange verbindingsboog bij Deventer;

– lang-lange verbindingsboog bij Deventer;

– kopmaken in Deventer;

– gebruik Twentekanaallijn.

ProRail maakt de variantenbeschrijving “in overleg met de regio”.

 

Dit rapport wordt de ‘opvolger’ van de op verzoek van de Tweede Kamer opgestelde ProRail-notitie uit september 2010 (“Goederenboog Deventer”), die tot nu toe de enige bron was voor informatie over de uitvoering van de spoorbogen, inclusief een globale opsomming van de uit te voeren werken en een aanduiding van de kosten. Er werd hierin tevens door ProRail een voorkeur uitgesproken voor een variant.

Van dit rapport wordt nu, anderhalf jaar later, door I&M gezegd dat het “geen enkele status heeft” en dat het nu door ProRail “wordt overgedaan”.

Met name deze voorstudie zal duidelijkheid moeten verschaffen over de exacte plannen en de locaties daarvan, en over de geraamde kosten (en het realiteitsgehalte van die ramingen).

 

Besluit minister in 2012 aan de hand van de voorstudies

I&M meldt: “De Minister van Infrastructuur en Milieu kan vervolgens medio 2012 een bestuurlijk-politiek beslismoment hebben, op basis van de rapportages die dan beschikbaar zijn.”

 

ProRail meldt: “Deze extra onderzoeken zijn in het voorjaar van 2012 gereed. Na overleg met bestuurders van provincies en gemeenten neemt de minister (IenM) een nader besluit over eventuele aanpassingen. Daarin wordt opnieuw vastgesteld voor hoeveel goederentreinen het spoor door Oost-Nederland geschikt wordt gemaakt.”

 

Wat is dan dat besluit van de minister?

Praktisch gezien kan het maar over één ding gaan: de hoeveelheid goederentreinen waarmee in de plannen resp. de m.e.r.-procedure gerekend wordt.

 

In de huidige ‘opdracht voor de m.e.r. staat (volgens ProRail):

Onderzoek alle maatregelen die nodig zijn om 2 en 1 goederenpad(en) te faciliteren op de verbinding tussen Betuweroute/Elst en Oldenzaal grens.

 

Deze formulering laat dus al ruimte voor plannenmakerij niet alleen op basis van twee, maar ook van slechts één treinpad (= goederentrein per uur).

De uitkomst van de voorstudies kan dus zijn dat de minister alsnog inziet dat er geen extra ruimte op het traject Elst-Oldenzaal nodig is (0 treinpaden), dat de capaciteitsvraag teruggebracht kan worden tot 1 treinpad, of dat er niets kan veranderen aan de huidige plannen (2 treinpaden per uur).

 

Inderdaad heeft de minister inmiddels (in juli 2012) geconcludeerd dat er in de verdere plannenmakerij rekening kan worden gehouden met maar één treinpad. Lees hier meer.

 

En hoe daarna verder...

In het voorjaar van 2015 wordt de MER van het hele traject Elst-Oldenzaal gepubliceerd, inclusief de uitwerking de variant waartoe in 2013 besloten is, samen met het ontwerp-Tracébesluit (OTB). Daarop volgt weer een inspraakprocedure.

In het najaar van 2016 valt het besluit over het tracé (TB).

Van voorjaar (!)  2016 tot voorjaar 2017 loopt de beroepstermijn en de behandeling in de Raad van State.

In 2016 (!) starten de bouwwerkzaamheden.

In 2017, volgens I&M: “Eerste lintjes knippen”.

In december 2020 moet alles klaar zijn.

 

 

Noot: alle feitelijke gegevens hierboven zijn afkomstig van het ministerie van I&M en ProRail, uit openbare bronnen, waaronder de Ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau, en in het bijzonder ook uit de presentaties op 18 januari 2012 verzorgd door I&M en ProRail aan de regionale bestuurders.