Artikelen

PvdA-er Duco Hoogland blijft doof voor Oost-Nederlandse kritiek

Ladingen terechte kritiek op de spoorplannen van partijgenoot Mansveld en stevige lobby vanuit Oost-Nederland en Rotterdam om voor een andere oplossing te kiezen, brengen PvdA-Kamerlid Duco Hoogland nog niet af van zijn onverkorte steun aan Mansveld.  Waar andere partijen in de Tweede Kamer aandringen op meer serieuze aandacht voor het Noordtak-alternatief, ziet Hoogland daar niets in, en zelfs het schrappen van de spoorbogen vindt hij "nog geen gelopen race". Een afwijkend standpunt, ook ten opzichte van veel van zijn partijgenoten, zelfs die in de Tweede Kamer.

 

Hoogland  (27) lijkt de forse en in Oost-Nederland breed gedeelde kritiek op het beleid van zijn partijgenoot, staatssecretaris Wilma Mansveld, nauwelijks serieus te willen nemen. Dat valt te concluderen op grond van de houding van het Kamerlid tijdens werkbezoeken aan Bathmen, zijn verdere optredens in de regio en zijn bijdragen aan Kamerdebatten over het spoorgoederenvervoer. DucoHooglandHoogland heeft namens de PvdA zitting in de commissie Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer, en beslist zodoende mee over de plannen van de regering om meer goederentreinen over het bestaande spoor door Oost-Nederland te laten rijden. Die plannen, die voorzien in vele tientallen extra goederentreinen door drukbevolkte gebieden per dag, ook in de nachtelijke uren, stuiten op veel verzet onder burgers en bestuurders, waaronder ook de PvdA-fracties in de betrokken Overijsselse en Gelderse gemeenteraden en Provinciale Staten. Staatssecretaris Mansveld lijkt desondanks haar plannen te willen doordrukken, en wordt daarin als enige Kamerlid door Hoogland door dik en dun bijgestaan. De weigering van Mansveld om nu, na een Kamerbrede motie om die bogen te schrappen, een definitief ‘nee’ tegen de spoorbogen bij Bathmen te zeggen, wordt als enige in de Tweede Kamer door Hoogland nog steeds gloedvol verdedigd, "om procedurele redenen", en omdat het "niet eerlijk" zou zijn tegenover de andere plaatsen die met de GON-plannen te maken krijgen.

 

Het plan voor een alternatieve, kortere Noordtak-route door dunbevolkt gebied in de Achterhoek kon op de sympathie rekenen van alle andere Kamerleden die zich met spoorzaken bezighouden. Ook hier toonde Hoogland zich echter een kritiekloos volger van het regeringsbeleid, door nog voor de inkt droog was te stellen dat dit plan “echt niet zal gaan”. In reacties op de grote bezorgdheid over de spoorplannen stelt hij zich steevast op het standpunt dat “de procedures correct gevolgd moeten worden” en dat er “geen geld is”. Publiekelijk stelt hij: "Die Noordtak komt er toch niet." Waar andere volksvertegenwoordigers lijken in te zien dat een effectieve spooroplossing duurzaam en toekomstvast moet zijn, en dat een nieuwe Noordtak de oplossing voor vele decennia kan zijn, houdt Hoogland vast aan een ‘noodverband’ dat hooguit een paar tiental jaren – met veel overlast en schade – dienst kan doen, ten koste bovendien van het reizigersvervoer. Oost-Nederland wijst er op dat een hogere investering nú op de langere termijn juist tot grote kostenbesparingen leidt, en vraagt de Tweede Kamer om hier voor visie te kiezen in plaats van voor het kortetermijndenken van de regeringsplannen. Niet voor niets stelde ook het Havenbedrijf Rotterdam, pleitbezorger van economische groei als gevolg van de aanleg van de Tweede Maasvlakte, zich pontificaal achter dit plan, vanwege de vele voordelen voor de Rotterdamse haven, de vervoerders én omwonenden.

 

Waar anderen de nadruk leggen op het feit dat de huidige regeringsplannen veel te minimaal begroot zijn, terwijl het mini